Hieronder de aanvang van de notariële akte uit 1853 van het legaat, verleden bij notaris Van Elslande met als aanwezige Marie Thérèse Angélique De Bie, de weduwe van Louis d'Hanins, die stierf in 1852. De notariële akte volgde uit het eigenhandig (olografisch) geschreven testament van Louis d'Hanins uit 1849, waar Louis d'Hanins het legaat instelde, te starten na de dood van zijn vrouw.

Het testament stipuleerde dat jaarlijks en ten eeuwige dage een som van 300 frank na de dood van zijn vrouw moest gestort worden aan de de Bewaarschool op de Wijngaardplaats uitgebaat door het Bureel van Weldadigheid (BVW). De som van 300 frank moest betaald worden aan de BVW door zijn broer Honoré d'Hanins de Moerkerke-de Deurwaerder, via een rente op een boerderij in Beernem, die bij testament toegewezen werd aan zijn broer Honoré.
Men mag natuurlijk die bedragen in Frank niet waarderen aan het niveau van vandaag. Om een idee te geven ter vergelijking, in 1853 kostte 1 kg brood 34 centiemen, nu kost een 1 kg standaard brood 2€30 wat ongeveer 93 frank zou zijn. We spreken dus van ongeveer een factor maal 275.
Louis d'Hanins de Moerkerke stierf in 1852 en Honoré d'Hanins wilde de hoofdsom, waarop de rente van 300 frank geheven werd, meteen aflossen en doneren aan de CBG. Maar in het testament werd de hoofdsom niet bepaald en de CBG kon de donatie niet aanvaarden wegens bepalingen in de wet van 1842 (zie verder). Uiteindelijk werd de donatie aanvaard door het Bureel van de Weldadigheid en zouden zij verder zorgen voor de jaarlijkse betaling van de 300 frank aan de Bewaarschool.
De acceptatie van de donatie werd goedgekeurd bij koninklijk besluit in 1853. Bij akte van notaris Van Elslande werd de hoofdsom bepaald op 6.000 frank minus de successierechten, netto 5.220 frank, welk bedrag werd overgemaakt aan het BVW. Het Bureel belegde dit bedrag in een openbare obligatelening van de stad Brugge aan 4,5% per jaar.
Hieronder de aanvang van de akte van het testament verleden bij notaris Van Elslande.

Het testament gedicteerd in 1854 stipuleerde dat ten eeuwige dage een jaarlijkse rente van 940 frank moest gestort worden aan de CBG ten voordele van de bewaarschool op de Wijngaardplaats. Van de 940 frank moest 900 frank exclusief besteed worden aan een soepbedeling vanaf 1 november tot 1 mei van het volgende jaar ten voordele van de kinderen van de school en van het overschot zou kledij gekocht worden voor de kinderen van de bewaarschool. Om die 940 frank te financieren werd een hypotheek gelegd op de volgende bezittingen: 540 frank op boerderijen in Aalter en Eecke die bij erfenis waren toegewezen aan de broer van Marie Thérèse De Bie Louis de Bie de Westvoorde, die burgemeeester van Beernem en daarna van Oostkamp was, en 400 frank op een boerdeij in Knesselare, toegewezen aan de dochter Emma van Ferdinand d'Hanins de Moerkerke, een neef van Louis. De hoofdsommen zouden nooit kunnen afgelost worden tenzij tegen 2 %, dus voor een totale som van 50 maal 940 frank, letterlijk "au denier 50".
Marie Thérèse Angélique de Bie stierf in 1855. De CBG aanvaardde het legaat en die acceptatie werd goedgekeurd door het CBS van Brugge en goedgekeurd door een koninklijk besluit van 1855. De CBG mocht het veschil van 40 frank behouden en 900 frank doorstorten aan de Commissie van de "salles d'asile”, ofwel kinderbewaarplaats en dus aan het Beschermcomité van de Bewaarscholen.
Hieronder de aanvang van de schenkingsakte en acceptatie van die schenking door de CBG, verleden bij notaris Josephe Jean Vanderhofstadt op 2 mei 1856.

Behalve de schenker zijn ook verschenen: Honoré d'Hanins de Moerkerke, voorzitter van het bestuur van de CBG en de Warnaeve-de Deurwaerder, Charles de Penaranda en Jean Van de Walle, leden van het bestuur van de CBG, die verklaarden de donatie te aanvaarden te weten het huis en erf op de Wijngaardplaats nr C10/31, kadasternr C-942. Het huis werd volgens de akte totaal nieuw gebouwd deels op het eigen terrein en deels op publiek terrein, vanwege het rechttrekken van de rooilijn. De schenking gebeurde o.a. onder de volgende voorwaarden
- Het pand moest dienen voor het oprichten van een wezenschool voor arme kinderen.
- Het interne bestuur zou exclusief toevertrouwd worden aan de congregatie van de Dochters der Liefde van Sint-Vincentius a Paolo, die al wezen hadden opgevangen en voorstellen deden om het aantal bedden voor wezen te verhogen met 40.
- Er konden ook andere caritatieve instellingen voor arme kinderen geinstalleerd worden met de goedkeuring van de CBG.
- De instellingen vielen onder het patronaat (de bescherming) van het CBS.
- Indien voor een of andere reden de compagnie van de Dochters der Liefde de stad moesten verlaten, dan zou het interne bestuur overgaan naar het Beschermcomité van de Bewaarscholen.
- In geval de schenking geaccepteerd werd door de CBG wenste de schenker dat de CBG zich engageerde om in de mate van het mogelijke de interne werking toe te vertrouwen aan een religieuse vereniging, die zich met goede werken bezig hield.
- Verwijzend naar art 6 van de schenkingsacte van d'Hanins-De Bie, was het Beschermcomité van de Bewaarscholen verantwoordelijk voor de goede instandhouding van het pand en zou al de kosten ervan dragen. Het Beschemcomité kon zich beperken tot het onderhouden en repareren van alleen de kapel indien nodig, rekenig houdend met het feit dat de kapel deels gebouwd was op het terrein geschonken door de familie d'Hanins.
- In dat geval of bij stoppen van het Beschermcomité zou de CBG in volle eigendom en vruchtgebruik komen en instaan voor het onderhoud en reparatie maar ze konden dan ook de bestemming van het gebouw wijzigen in functie van het belang van de armen van de stad. Maar in dat geval wenste de schenker dat de CBG voorrang gaf aan een religieuse instelling voor arme meisjes.
De akte kon eenvoudig zo gelezen worden dat het pand en erf van de schenking een annexe moest vormen van de schenking van de familie d'Hanins wat tot uiting kwam in de gecombineerde constructie van het nieuwe gebouw aan de Wijngaardplaats, de kapel die op de grens met beide percelen gebouwd werd, de rechttrekking van de rooilijn. Ze moest ook als de uitbreiding van de werking voor de wezen gezien worden. Alhoewel sommige voorwaarden analoog waren aan die van de schenkingsakte van de familie d'Hanins, waren ze algemener en complexer. Vergeten we niet dat Auguste de Laage een advocaat was.
De minister van Justitie A. Nothomb keurde de donatie in juli 1856 niet goed, onder andere vooral omwille van de exclusiviteit voor de bestaande instellingen (de CBG en de Dochters der Liefde van Sint-Vicentius), de clausule in verband met de procedure voor de aanvaarding van wezen en bepaalde verplichtingen. De minister stelde voor de betrokken artikels anders te formuleren. De minister wees er ook op dat er wijzigingen zouden komen in de wetgeving die het een en ander mogelijk zouden maken.
De Laage schreef terug dat hij de voorgestelde wijzigingen niet kon aanvaarden. De donatie was immers ingegeven door het feit dat de donatie van d'Hanins en de zijne zou leiden tot een eenheid in het verlengde van de al bestaande activiteiten en dat de voorgestelde wijzigingen de bedoeling van zijn donatie zouden te niet doen. Het bleef verder stil, blijkbaar bleven alle parijen een afwachtende houding aannemen in verband met de aangekondigde wetswijzigingen die maar niet kwamen. Ondertussen werd de donatie gewoon "geconsumeerd".
In 1859 stelde de CBG vast dat er geen vooruitgang was in deze kwestie en dat zij derhalve niet verder op de kwestie zou ingaan. Dit betekende dat zij de voorstellen van de minister tot wijziging van de donarievoorwaarden naast zich neerlegde. In de nota van het CBG uit 1863 hieronder delen zij het kadaster gewoon mee dat zij, volgens de schenkingsakte van 2 mei 1856, de eigenaar waren van het huis en erf op het perceel C-942. Dit was wel voorbarig gezien wat later zou volgen. Blijkbaar bleef iedereen in afwachting van nieuwe wetgeving gedogen dat de donatie voor het weeshuis helemaal geïntegreerd werd in de donatie van d'Hanins.

De Donatie de Laage werd ook belaagd door de wet van 1879, die verplichtte dat er geen vrije scholen ingericht mochten worden in openbare eigendommen. Maar de donatie was dus nooit definitief goedgekeurd geweest door het ministerie van Justitie. Het was daardoor eenvoudig voor Auguste de Laage om de donatie te herroepen op die basis. Het gedeelte van het pand met het jaartal 1857 (C10-31, kadasternummer C-942) boven de deur werd rond 1880 opnieuw eigendom van Auguste de Laage. Het eigendom werd later overgekocht door de weduwe Louis Ryelandt-De Man en uiteindelijk in 1900 gekocht door de Dochters der Liefde van Sint-Vincentius a Paolo.
Vorige pagina --- Volgende pagina
Klik hier voor de overige pagina's: