de Elisabethverpleegsterschool, Walplaats 38,
de bouwgeschiedenis tot 1905

De voorgeschiedenis tot 1905

De voorgeschiedenis wordt vooral gekenmerkt door de spaanse familie "de Matanca" en de glazeniersfamilie "Dobbelaere"

De spaanse familie "de Matanca"

Het oudste kadasterplan uit 1811 (zie kaart hieronder) toont dat het complex van de Walplaats nr 38 en met kadasternr 1078 al bijna helemaal opgebouwd tot zijn huidige volume.

Voor het begrijpen van het verder verhaal van de families de Matanca en Dobbelaere en de inrichting van de Elisabethverpleegsterschool nadien is het goed een overzicht te hebben van de verschillende delen van het complex. We doen dit aan de hand van luchtfoto's van de huidige toestand.

hieronder een luchtfoto van de westkant ter orientatie:

linksonder : de westzijde van het zusterklooster van het Sint-Janshospitaal aan de Reie,

dan de driewestgevels van van Walplein 38: de gevel met de zinken puntgevel (werkplaats van glazeniers, gebouwd door henri Dobbelaere??), de beige gepleisterde gevel en tenslotte de trapgevel met de gevelsteen "1709", waarvan slechts een travée van de rechter zijgevel zichtbaar is op het walplein)

dan de twee buurhuizen Walplein 37 en 36.

Aan de oostzijde (de bovenkant van de foto) : het huis achter het huis met de zinken puntgevel (een aanbouw uit 1935), de koer, het oostelijk huis, waarvan de voorgevel zich links van het huis met nr 39 bevindt en met de toren achteraan (oorspronkelijk hoogstwaarschijnlijk magazijnen of stapelplaatsen) en tenslotte het poortgebouw dat zich achter het huis uit 1709 bevindt en dat waarschijnlijk een inrijpoort was voor de koets van de familie en de bedrijfswagens in de 19de eeuw.

Hieronder de luchtfoto van de noordkant: links het stoofstraatje, het huis nr 39 , dan van nr 39 het oostelijk huis met toren met rechts ernaast het poortgebouw en koer , dan 3 langsliggende panden waarvan de gevel uitgeeft op de koer en waarvan het middelste een plat dak heeft, dan de drie westerpanden die we hierboven zagen en tenslotte de tuin.

Helemaal rechts aan de overkant van de Reie ziet u de achterkant van het koetshuis

Hieronder een detail van de gevelsteen met jaartal 1709 in het huis met trapgevel, waarvan 1 travée uitgeeft op het Walplein.

   

In dit huis bevinden verschillende elementen die wijzen op Spaanse invloed en die volgens de huidige eigenares afkomstig zijn uit de tijd dat de familie de Matanca (soms ook als Matança geschreven)hier woonde. Blijkbaar waren ze zeer welgesteld en kunstzinnig. Er bevonden zich in Brugge in die "Spaanse tijd" (16de- 18de eeuw ) verschillende Spaanse families in Brugge (Pardo, de Aranda, de La Torre.....) die vooraanstaande posities bekleedden.

De familie de Matanca start in Brugge met Juan de Matanca uit Burgos (Spanje) die in 1521 trouwt met Barbara Pardo, een dochter van Silvester Pardo, die ook uit Burgos kwam en die zich al in Brugge gevestigd had. Dit echtpaar staat aan het begin van de Matanca stamboom in Brugge (zie hieronder).

Hieronder links het praalgraf van Juan en barbara de Matanca in de Sint-Donaaskthedraal, die met de kathedraal in het begin van de 19de eeuw verdween.

Rechts is het heraldisch kwartier afgebeeld van Juan de Matanca respectievelijk van Barbara Pardo met de beschrijving. Het wapenschild van de Matanca's is de leeuw op het witte veld. Ook voor sommige andere leden van de familie bestaan dergelijke beschrijvingen. Clara de Matanca (1698- 1768) die trouwde met Boudewijn Pincket , was de laatste naamdraagster van de naam de Matanca. Wegens grote schulden en tegenslagen was de familie toen ook verarmd.

   

Hier interesseert ons Margateha Isabella de Matanca (1621-1680) die Robert Reyngoudt huwde.
Zij was de zus van Charles Philippe de Matanca, heer van Tillegem. De naam de Matanca is nauw verbonden met kasteel van Tillegem. Ferdinand, de zoon van Juan de stamvader van de Matanca's in Brugge, kocht het kasteel in 1573 en Charles Philippe tenslotte verkocht het kasteel in 1664.

Hieronder een gekleurde pentekening van rond 1640 in opdracht van de Matanca's. (deze pentekening diende als basis voor de uitgave van de Flandria Illustrata uit 1735 van A. Sanderus)

Een uittreksel uit de huizen geschiedenis van de stad brugge (kaartenhuis) waar de opeenvolgende eigenaars van huis Walplein nr 38 opgesomd zijn. Hieruit leren we dat op 1/07/1672 Margriete Isabel de Matanca , douarière van Robert Reingodt, het huis koopt. Haar zoon Vincent Reyngodt verkoopt het huis op 20/01/1725 aan Frans Verhulst. Uit het jaartal 1709 van de gevelsteen op het huis met de trapgevel mogen we afleiden dat Vincent Reyngodt er de bouwheer van is.

Omwille van de privacy tonen we hieronder alleen enkele opvallende elementen van het interieur

Links zien we schouw met een waarschijnlijk achteraf toegevoegde oude kachel.

De houten bovenkant van de schouwmantel is fijn uitgewerkt en draagt de datum van 1648.

Het Zonnebloemmotief zou typisch Spaans zijn.

een typische deur

boven de schouw kijken Rembrandt Van Rijn(°1606- +1669) en Pieter Pauwel Rubens (°1577- +1640) je toe (keramiektegels): 2 belangrijke schilders van die tijd.

 

Een verder onderzoek zal meer informatie over de familie de Matanca en over de bouwgeschiedenis voor 1905 moeten verschaffen.

De glazeniersfamilie Dobbelaere

Een schilderij uit de periode 1858-1871 hieronder toont hoe de noordkant van hete Walplein er toen uitzag. Het is aan de noordkant van dit plein nr 39 waar de familie Dobbelaere zich vestigde en later de Elisabethverpleegsterschool zal ingericht worden.

In de tijd van het schilderij hierboven had Henri Dobbelaere (° Brugge 1822-1885) zijn woning en atelier in de noordwesthoek van het Walplein langs de reie (nr 38/39, kadasternr 1077, 1078, Oostenrijkse nummering 33/34, zie verder).

Hij is de grondlegger van een familie glazeniers die tot ver in de 20ste eeuw de glasschilderkunst uitoefende. Na aanvankelijk als schilder te zijn begonnenen legde hij zich vanaf 1860 vooral toe op neogotische gebrandschilderde glasramen .

Het beroemde schilderij "de ontdekking van het lijk van Karel de Stoute in Nancy" is van zijn hand. Zijn brandglasramen zijn o.a. goed vertegenwoordigd in Brugse kapellen en kerken.

   

Hieronder nog enkele zichten van het walplein

een foto van de noordwestkant uit 1879 met een kolenhandelaar en zijn kar. Honden helpen de kar trekken.Het plein zelf is nog boomloos.

Het tweede huis van links met datumankers 1614 is het huidige godshuis "Lemaire" gerestaureerd door Alphonse De Pauw in 1912.

De 2 laatste huizen van de rij (het neoclassicistische huis en het huis met de trapgevel) zullen ook eigendom worden van de familie Dobbelaere.

 

Op deze foto uit 1869 hebben we een goed zicht op de ganse noordzijde.

Van rechts naar links:

Het stoofstraatje had een poortingang (in die tijd waar een woordje frans niet misstond had men het ook over la rue d'étuve, zoals de Walplaats Place de la Digue genoemd werd).

Achter de 2 huizen rechts, uit de 17de eeuw, bevond zich nog een pand en een open ruimte dat uitgaf op het stoofstraatje (zie de oude kadasterplannen).

Dan is er het poortgebouw en de eerste travée van het huis en atelier van Henri Dobbelaere, dat achter de andere huizen verder doorloopt. Volgens een gevelsteen in de achtergevel dateert het huis uit 1709.

 

zicht op de noordoostkant van het walplein (tussen 1871 , bouw van de torentjes van de OLV-kerk, en 1900). Zo zonder bomen en zonder auto's heeft het plein ook zijn charmes. Bemerk ook het meisje aan de pomp links. Die pomp zien we nog terug.

Op de kadaster kaart uit 1831 zien we in het midden de kavels van de noordkant van het walplein: links de grote kavel nr 1078, die zich slingert rond de 3 andere kavels rechts (nrs 1079.1080 en 1081)

Op een detail van de kadaster kaart van Popp uit 1865 ( zie hieronder, de orientatie noord is nu rechts) zien we dat de perceeltjes nrs 1079,1080,1081 uitgesplitst zijn in nog 5 kleinere perceeltjes (nrs 1079 a en b, nrs 1080 a,b en c, terwijl 1081 a langs het stoofstraatje het collectief erf is).

Het is de periode dat overal in Brugge en andere steden dergelijke concentraties voorkomen: het zijn de beruchte arbeidsersfortjes of beluiken. Zoals we boven zien bestond het fortje nog niet in 1831. Rond die tijd was het geheel eigendom van de bleker Willem Verstraete, die het in 1853 aan de leraar Louis Roels verkocht. Hij was het die het beluik liet bouwen.

Zijn zoon verkocht het beluik in 1866 aan Henri Dobbelaere, die op dat moment hoogstwaarschijnlijk al eigenaar was van de kadaster nrs 1077 en 1078. Belet wel dat het huis met oostenrijks nummer C9/33 en kadasternr 1077 ondertussen geïntegreerd is in het domein van de familie Dobbelaere.

De zoon van Henri, Jules Dobbelaere (1859- 1916) zette na de dood van zijn vader in 1885 het bedrijf met succes voort. Hij leverde o.a. de brandglazen voor het provinciaal hof op de Markt in Brugge en verwierf ook bekendheid tot ver in het buitenland.

Als voorbeeld:

Hiernaast een glasraam van Jules Dobbelaere in de Sint-Jozefkerk in Haarlem (de martelaren van Gorkum).

De studie van de familie Dobbelaere is interessant maar valt buiten het bestek van deze website pagina

   

 

In 1896 vraagt Jules Dobbelaere een wijziging aan een venster voor het huis Walplaats 34. Uit een vergunning aan Lemaire- De Clerq in 1830 blijkt dat nr 34 wel degelijk gaat om het huidig neoclassistisch huis nr 36. Het betekent ook dat Jules Dobbelaere in 1896 ook eigenaar is van dit huis.

   

In 1905 had hij grote plannen om de ganse Noordkant van het plein als een ode voor neogotische bouwkunst te laten schitteren. Hij verkreeg een vergunning voor het bouwen van een nieuw huis (huidig nr 39) en voor het restaureren van de gevel ernaast (huidig nr 38). (de oostenrijkse nrs 33 en 34 kloppen evenwel niet met die op de vergunning hieronder: zijn de met de hand geschreven nrs op het plan Popp 1865 verkeerd of is er sindsdien nog een nummerwijziging doorgevoerd?)

 

Hierboven het plan in blauwdruk, hieronder de werkelijkheid in 1906, net na de aanplanting van de bomen. Het poortgebouw werd soberder uitgevoerd en de gevel sluit aan bij de vroegere toestand. Bemerk de pomp links, die we op een foto hierboven ook zagen. De pomp is nu verdwenen en ook de console van de pomp is verdwenen. Er is aan het begin van de Zonnekemeers nog een console in blauwe hardsteen van zulk een pomp aanwezig.

De architect van dit complex is Charels Louis

Louis Ernest Charels werd in 1875 in Assebroek, Brugge geboren en stierf in Brugge in 1912

foto op het grafmonument in het kerkhof van Steenbrugge

 

 

Louis Ernest Charels studeerde vanaf 1891 aan de Kunstacademie van Brugge. Zijn eerste ontwerpen dateren van 1898. Hij ontwierp vooral panden in Brugse neogotische en neorennaissancestijl langs invalswegen (de Steenbrugse Wandeling - tegenwoordig Baron Ruzettelaan - en de Oedelemse Steenweg - tegenwoordig Generaal Lemanlaan) en langs de ringlaan. Hij werkte ook buiten Brugge en ontwierp eveneens sociale woningen, scholen en kastelen.

In het Bulletin des Métiers d'Art worden zijn realisaties in de Generaal Lemanlaan geprezen als modern en origineel. In een ander nummer van hetzelfde tijdschrift wordt vermeld dat in 1908 zeven van zijn ontwerpen bekroond werden in een wedstrijd.

In een artikel van 1911 wordt hij omschreven als jonge Vlaamse architect, samen met Jozef Viérin, Huib Hoste en Biebuyck, als opvolgers van Louis Delacenserie, Vinck en Charles Dewulf met een moderne architectuur in een traditionele stijl.

Charels bleef vrijgezel en overleed na een langdurige ziekte. Na tientallen jaren werd hij herontdekt als belangrijk en productief Brugs architect uit het begin van de twintigste eeuw.

Ontwerpen

Assebroek, Baron Ruzettelaan nr 55 , nr 106-107 'Villa des Violettes', 'Villa des Roses' en 'Villa des Iris', nr 111, 'Villa Josephine' en Ruzettelaan nr 131-133.
Assebroek, Generaal Lemanlaan nrs 190, 192,194 en196 “De Reiger”.
Assebroek, Pastoor Verhaegheplein nr11, pastorie.
Assebroek, Sint-Katarinastraat, school

Brugge, Cordoeanierstraat nr11.
Brugge, Filips de Goedelaan nr3, 'Groene Distel' , nr 6 'Gulden Vlies', nr 7 'Filips de Goede en Maria van Bourgondië', nr 8, 'De Wapens van Bourgondië'.
Brugge, Gapaardstraat nr 8.
Brugge, Groeninge nr 53.
Brugge, Guido Gezellelaan nrs 36 en 38.Brugge, Koningin Elisabethlaan nr 36, 'Den Ghecroonden Hamere'.
Brugge, Pandreitje nr 8.
Brugge, Predikherenrei nrs 22-23, 'De Walvisch'.Brugge, Sint-Jacobsstraat nr 26, 'Het Wielken'.
Brugge, Steenkaai 42, Kasteel 'Ruddershove'

Brugge, Walplein nrs 38-39, 'De Drie Leeuwen'

Maldegem, Noordstraat 103.
Ruddervoorde, Kortrijksestraat 493, 'Kasteel Sint-Hubert'.
Sint-Andries, Doornstraat 215, kasteel 'Het Foreyst' of 'Les Cèdres'
(bron Wikipedia)

Arch. Charels liet ook in het Poortgebouw van het complex Walplein 38 zijn "handtekenening" metselen.

De 2 balksleutels vermelden
"L. Charels MCMVI" (rechts)en "restauravit" (links). Rechts ziet u ook een bas reliëf van arch.Charels

Het huis nr 38 werd door Jules Dobbelaere "de drie leeuwen" genoemd (zie op de foto hiernaast de 3 bas-reliëfs rechtsboven de ingangspoort). Wellicht refereert de naam "3 leeuwen" naar de 3 Dobbelaeres die hier in die tijd werkzaam waren in het glazeniersbedrijf: Jules, Henri,de ouder broer die nog voor de WO I stierf en Elisa (de oudste zus).

Het ganse noordelijk complex zal van dan af nog maar weinig veranderingen aan de buitenzijde ondergaan, behalve de aanbouw in 1935 van een achterhuis voor keuken, sanitair en bergplaats..

Lang kan Jules Dobbelaere niet genieten van zijn nieuwe bouw want in 1916 komt hij te sterven. Het bloeiende glazeniers bedrijf, dat door zijn oudere broer, Henri, Jules en hun oudste en ongetrouwde zus Elisa werd geleid, viel nu terug op Elisa alleen. Komt daar nog bij dat het oorlog was . Toen de Duitsers in 1916 het Seminarie opeisten voor de inkwartiering van hun soldaten werden de bewoners van het seminarie verspreid over de stad. Mgr Callewaert zocht zijn toevlucht in het huis van Elisa Dobbelaere. Mgr. Callewaert was daar al enige tijd samen met E.H. Maertens, pastoor van de Potterie, vriend des huizes. Voor beiden was dit een goede oplossing en kon Mgr. Callewaert optreden als raadgever voor het bedrijf met zijn 10 werknemers. Elisa kon uiteindelijk de zaak niet meer aan en liet de zaak over aan Justin Peene, een verre neef, met als voorwaarde dat de 10 personeelsleden mee overgenomen werden. Peene bracht de zaak in 1919 over naar de Naaldenstraat, in het huis naast de Boterhuispoort.

Elisa Dobbelaere stierf in 1922 en liet, samen met haar zussen, die allen religieuzen waren en verspreid over de wereld, het huizencomplex per testament over aan het Bisdom. Mgr Callewaert, al jaren de raadgever van het huis, werd testament-uitvoerder.

dr. Rubbrecht zocht op dat moment naar een geschikte locatie voor de pas opgerichte verpleegsterschool "H. Elisabeth" (zie rubriek "de verpleegsterschool Sint-Elisabeth").
Als testament-uitvoerder kon hij ervoor zorgen dat dr Rubbrecht de gebouwen van het huis Dobbelaere in 1923 kon huren. Het was een geschikte plaats vlakbij het Sint-janshospitaal en met een sfeer van religiositeit met de vele brandglasvensters .

Jules Dobbelaere liet in de periode 1905-1910 verschillende foto's maken van het interieur van nr 38.

Dit is de artiestenzaal . u herkent de schouw van 1648 met de kachel en de afbeeldingen van Rembrandt en Rubens. Jules Dobbelaere had wel oog voor behoud van erfgoed.

 

 

 

de kapel 1910, (De Dobbelaeres waren een zeer katholieke familie: niet minder dan 5 dochters werden religieuzen)

 

Hieronder zien we de tuinkant van de zaal met een veranda van voor 1905 die leidt naar de tuin, In 1905 werd de trappen partij veranderd. (zie volgende foto van de veranda in de sneeuw)

 

 
 
 

hier boven enkele binnenzichten met de inrichting uit de periode 1905-1910

(de kwaliteit van de foto's is variabel, toch willen we ze tonen als voorbeeld van de inrichting van een toenmalige inrichting.)

De Dobbelaeres waren ook een beetje filosofen en plaatsten spreuken in de boogvelden boven de deuren.

Waer rechte geesten zijn, daer leeft van de kunst

Waer rechte vrinden zijn daer leeft men van de gunst